Sinds de oprichting iets meer dan zes jaar geleden is het in Oklahoma City gevestigde kwartet Chat Pile uitgegroeid van een bescheiden passieproject tot een van de meest opvallende en toonaangevende zware bands die uit de underground van de jaren 2020 zijn voortgekomen. Ray B. (zang), L. Manhole (gitaar), Stin (bas) en Cap’n Ron (drums) creëren een verpletterende, rauwe en verlossende vorm van noise rock, die een onmiskenbare menselijkheid vangt in een tijd gekenmerkt door technologische overbelichting en een steeds bottere samenleving.

Net als in veel van het overige materiaal van Chat Pile, rust Oklahoma City zwaar op hun nieuwe album, Who Loves The Sun, als een personage op zich. De uitgestrekte isolatie, economische tegenstellingen en onderliggend verval van de stad zijn verweven in het DNA van het album. De perfecte allegorie voor de thematische kern van de plaat is te vinden op de cover, waar de Devon Tower – een met glas beklede en grotendeels lege monoliet – boven de skyline van Oklahoma City uittorent, terwijl een afgebrand huis of winkelpand de voorgrond domineert.

Het album blijft zowel lyrisch als sonisch confronterend, maar deze keer heeft Chat Pile meer focus gelegd op sterke melodieën en pakkende songstructuren. De inspiratie komt onder andere van de melodische kant van indierock, alternatieve rock en new wave uit de periode voor de millenniumwisseling. Van de bloedige en intense vocale passages op “Christabel ’26” tot de onrustwekkende triphop-puls op “Same Rules” oogt Who Loves The Sun diep menselijk – zelfs wanneer het draait om beelden van een stervende en verscheurde wereld.